Christelijk opvoeden (artikel in De Wekker)

Opvoeden: toerusten voor een leven met God

In het pastoraat vergelijk ik het opvoeden van kinderen nog wel eens met het vullen van een rugzak. Je geeft je kinderen  bagage mee voor de levensreis. Je probeert ze aan te reiken wat ze nodig hebben voor een leven met God. Vaak zeg ik er dan bij: je kunt er niet voor zorgen dat je kind ook naar de inhoud van de rugzak gaat grijpen. Dat is Gods eigen werk. Wél kun je ervoor zorgen dat je kind niet misgrijpt als het die bagage nodig heeft!

Het verbond als basis
In de christelijke gemeente hebben we het bij de geloofsopvoeding over kinderen die gedoopt zijn. Dat wil zeggen: ze dragen de zichtbare bevestiging dat zij tot Gods verbond behoren. Er is iets tussen hen en onze God: een verbond (Gen. 17: 2 en 7). God wil Zich veelbelovend aan hen verbinden: Hij wil hun God zijn en zij mogen tot Zijn volk behoren (Gen. 17: 8). Dit houdt van Gods kant in dat Hij hen alles wil schenken wat zij voor tijd en eeuwigheid nodig hebben. Tegelijk stelt het ons en onze kinderen onder de verplichting gelovig te leven uit Zijn beloften en Zijn geboden te gehoorzamen.
Juist het besef dat onze kinderen tot het verbond mogen behoren mag een stuk ontspanning geven aan ouders. Voor we met onze kinderen het leven ingaan, mogen we met hen terug naar de God van wie we onze kinderen ontvingen. Nadat zij geboren zijn, zegt de Heere niet: je redt je er maar mee, de verantwoordelijkheid is nu helemaal voor jullie. God zegt juist dat Hij mijn kind wil redden door Christus’ bloed, ja voor alles wil zorgen wat het op de levensreis nodig heeft. Op de God Die dat gezegd heeft aan het begin van het leven van mijn kind mag ik steeds weer terugvallen. Ik mag God aan Zijn belofte houden.
Tegelijk is er een keerzijde. De doop maakt me ook duidelijk dat mijn kind niet allereerst mijn kind is. In de doop heeft God Zijn heilrijke hand op het leven van mijn kind gelegd.  Mijn kind draagt niet allereerst mijn (achter)naam. De Naam van de Drieënige God is over hem uitgeroepen (Matth. 28: 19). Duidelijker kan het niet gezegd worden:  hij behoort niet allereerst mij toe, maar de God van Wie de Naam over mijn kind is opgeroepen. In de doop heb ik op een bepaalde manier afstand gedaan van mijn kind: het is allereerst van Hem.
Ik zou het ook nog anders kunnen zeggen: het is ‘in Christus geheiligd’ (Doopsformulier). Die heiligheid wijst niet op een innerlijke verandering die zich al zou hebben voltrokken. Het wil zeggen dat hij mijn kind  is afgezonderd van de wereld om aan God te zijn toegewijd. Er is een streep getrokken tussen hem en deze wereld waarachter hij niet terug kan. Hij behoort allereerst God toe.

Voor God, niet voor de wereld
Voor het doel van de opvoeding kan dit niet zonder consequenties blijven. Ik voed mijn kinderen niet op om er zelf zoveel mogelijk plezier aan te beleven. Het gaat er niet om dat zij gaan voldoen aan mijn dromen en idealen, wel bereiken wat ik als ouder nooit bereikt heb. Dit kan een zware hypotheek leggen op het leven van mijn kind. Het gaat erom dat mijn kind leert beantwoorden aan de bedoeling die God met zijn leven heeft.
Wat de apostel Paulus als doel aangeeft van onze omgang met de Schrift, kan ook worden aangemerkt als het hoofddoel van de christelijke opvoeding: opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust (2 Tim.3: 17 SV). Het gaat erom dat onze kinderen mogen leren leven als mensen Gods. Dit kan een ingekorte aanduiding daarvan zijn dat in ons mensen weer het beeld van God zichtbaar wordt(Gen. 1: 27), dat we dus in ons doen en laten iets van God mogen weerspiegelen, als kinderen op de hemelse Vader zullen lijken.
De uitdrukking kan ook herinneren aan de profeten die soms worden aangeduid als mannen Gods. Mozes en Samuel worden bijvoorbeeld zo genoemd. Die uitdrukking maakt duidelijk dat profeten in bijzondere zin aan God verbonden zijn en in Zijn dienst staan. Ook deze betekenis zou goed passen. Wat eerst het voorrecht was van een enkeling mag nu iedere gelovige gelden. Wat heerlijk om een kind te mogen inwijden in een leven in zo’n nauwe verbondenheid met God.  Wat  een genade zo connecties te mogen hebben op het hoogste niveau.
Dit heeft consequenties voor de wijze waarop we onze kinderen leren kijken naar de wereld waarin zij  groot worden. Als we onze kinderen verlangen groot te brengen voor God, dan houdt opvoeden veel meer in dan ze wegwijs maken in deze wereld. In het licht van de Schrift zou het wel erg arm zijn als we het daarbij zouden laten.
Onze kinderen zijn  zeer te beklagen zijn als we ze alleen voor deze wereld groot zouden brengen. De gedaante van deze wereld gaat immers voorbij (1 Cor. 7: 31). Als er niet meer was dan dat zouden wij met onze kinderen uiteindelijk met lege handen staan. Een christen mag weten van een verder wenkend perspectief. We mogen onze kinderen de weg wijzen naar Gods nieuwe wereld die komt (2 Petr. 3: 13). Voor die wereld mogen we onze kinderen opvoeden. Deze wereld is niet het laatste maar het voorlaatste.
Je zou haast geen kinderen meer durven krijgen als je de kinderen die je ontvangt voor deze steeds onveiliger wereld zou moeten groot brengen. Het gezin mag een reisgezelschap zijn dat deel uitmaakt van de grote karavaan van pelgrims op weg naar een beter vaderland (J. Hoek). In de opvoeding mag je de weg wijzen naar die prachtige wereld die komt. Zeker, dat doet ons de ogen er niet voor sluiten dat onze kinderen deze wereld door moeten. Dan mag het ons tot troost zijn dat deze wereld niet alleen een wereld is die steeds meer de sporen van de zonde toont; het is en blijft ook de wereld die God heeft lief gehad (Joh. 3: 16)

Voorzeggen en voordoen
Je zou kunnen zeggen dat opvoeden vooral een kwestie is van voorzeggen en voordoen. Het is de opdracht van ouders het gesprek te zoeken met hun kinderen over de dienst van de Heere. Het is hun roeping te spreken over Gods grote daden (Ps. 78: 4), Zijn geboden en inzettingen.
Mooi is het om te zien hoe de Heere ouders daarin ook de helpende hand biedt. God helpt om het gesprek op gang te brengen. Ik denk in dit verband allereerst aan de Paasmaaltijd. De jongste van het gezin moest vragen waarom deze nacht anders was dan andere nachten, waarop de vader  de geschiedenis van de uittocht vertelde (Ex. 12: 26v).
Na de doortocht door de Jordaan liet de Heere een stapel stenen oprichten bij de plaats waar het volk door de Jordaan getrokken was. Zo moest de herinnering aan dit wonderlijke ingrijpen van God levend blijven. Die hoop stenen was er speciaal met het oog op de jonge mensen. Dit monument moest bij hen vragen oproepen zodat ouders een aanleiding kregen om hun kinderen het verhaal van de doortocht te doen (Joz. 4: 5vv)
Ook in Deut. 6 wordt sterk beklemtoond dat het inscherpen van de geboden van de Heere een geïntegreerd onderdeel van heel het leven moet uitmaken. Thuis en onderweg, bij het slapen gaan en bij het opstaan dient het ter sprake te komen. Die lijn wordt in het nieuwe Testament doorgetrokken. In één van de huistafels roept Paulus ertoe op dat ouders geroepen zijn hun kinderen op te voeden in de onderwijzing en terechtwijzing van de Heere (Ef. 6: 4)
Deut. 6 laat ook mooi zien dat het niet bij woorden kan blijven. De woorden van het liefdegebod die men de kinderen moet inprenten, zijn ook woorden die men als een teken op de hand moet binden en die als een voorhoofdsband tussen de ogen moeten zijn. Men dient ze ook op de deurpost te schrijven (vers 8 en 9). Naast het hoorbare onderwijs dient er dus het zichtbare onderwijs te zijn: de hand moet aangestuurd worden door het liefdegebod. Hetzelfde geldt voor het denken. Ja, alles wat in huis gebeurt, moet dat stempel dragen. Zo mogen ouders zelf het mooiste plaatje zijn bij de boodschap die ze uitdragen. Het leven van de ouders is nog altijd de mooiste kinderbijbel die kinderen te lezen krijgen.

Enkele voorbeelden
De Bijbel is een eerlijk boek en stelt de werkelijkheid niet mooier voor dan ze is. Soms gaat er in de opvoeding heel veel mis. Één van de meeste schrijnende voorbeelden is wel de opstelling die Eli kiest ten opzicht van zijn beide zonen Hofni en Pinehas. Ze doen echt alles wat God verboden heeft: van het heiligdom in Silo hebben ze zo ongeveer een bordeel gemaakt terwijl ze in eigen voordeel sjoemelen met de offers. Desondanks lezen we dat Eli zijn zonen er niet op heeft aangesproken. We lezen zelfs dat hij zijn zonen er nog niet eens zuur om heeft aangezien ( 1 Sam2: 27vv en 3: 13). Hij heeft aan wat zijn kinderen wilden meer gewicht toegekend dan aan Gods eer.  Deze geschiedenis laat wel heel treffend zien hoe waar het is wat ik onlangs ergens hoorde zeggen: wie zijn kinderen niet corrigeert, maakt er monsters van.  Eli heeft zijn zonen op weg naar het oordeel geen strobreed in de weg gelegd (1 Sam. 4: 11 en 17).
Dan kun je als ouder beter lijken op Noach die voor zijn gezin tot grote zegen was. Hij wandelde met God (Gen. 6: 9). Hij huilde niet mee met de wolven in het bos. Hij had de moed alleen te staan en ging onverdroten door met het bouwen aan de ark – ook toen iedereen dat belachelijk vond. Hij bleef geloven dat het oordeel aanstaande was en hield het ook aan zijn kinderen voor. Zo mocht hij een middel worden tot redding van zijn gezin. Hij, zijn vrouw en kinderen bleven gespaard toen de zondvloed kwam. Wat mag je zo tot (eeuwige) zegen zijn voor je kinderen!

Christus centraal
Tenslotte wil ik nog graag benadrukken dat alleen van een echt christelijke opvoeding gesproken kan worden wanneer de Heere Jezus Zelf daarin centraal staat. Van een dergelijke opvoeding is nog geen sprake als je je kinderen christelijke gedragsregels bijbrengt. Het is meer dan dingen mogen en dingen niet mogen. Met dat alles kan de Heiland zelf nog worden doodgezwegen! Je kunt onmogelijk van een christelijke opvoeding spreken als het niet vooral over Christus Zelf gaat. Alleen een opvoeding waarin Christus centraal staat, verdient die naam.
Zelf maak ik graag een vergelijking met de geschiedenis van de koperen slang (Num. 21: 4 – 9). Reken maar dat ouders van wie het kind gebeten was door de slang niet wisten hoe snel ze met hun kind bij de verhoogde slang midden in het tentenkamp moesten komen. Als kinderen een andere kant op keken namen ouders, zo stel ik me voor, het hoofdje van hun kind in de handen om het naar die slang te laten kijken. Dat voorbeeld verdient onze navolging.  Nu wij met onze kinderen gebeten zijn door een nog veel gevaarlijker slang, kunnen we onze kinderen geen betere dienst bewijzen dan met hen te  gaan naar de vluchtheuvel Golgotha. Daar zijn wij welkom met onze kinderen.
En dan mogen we hierbij ook wel bedenken dat we slechts één keer in de Bijbel lezen dat de Heiland  – zoals er letterlijk in het Grieks staat – furieus wordt op Zijn discipelen (Marc. 10: 14). Nee, dat is niet als ze voor de zoveelste keer twisten over de vraag wie de meeste is of als de zoveelste domme vraag gesteld wordt. Het is als de discipelen ouders tegenhouden die met hun kinderen naar Jezus willen! Laten we als ouders geen blokkade maar juist een deur zijn naar Jezus toe. Onze kinderen over Jezus vertellen is de beste bagage die we ze mee kunnen geven! Niets is er ook wat meer bindt aan de dienst van deze God dan de kennis van deze Zaligmaker!

H. Peet (predikant te Bunschoten ;  lid deputaatschap kerkjeugd en onderwijs)

P.S. :  Wie behoefte heeft aan een praktische uitwerking van bovenstaande, verwijs ik graag naar het project Opvoedingsondersteuning dat op initiatief van beide jeugdbonden, de mannen- en vrouwenbond binnenkort van start gaat.