Kerkorde artikel 6

Binnen onze kerken bestaat de mogelijkheid predikant te worden naar art. 6. K.O. in het onderwijs. Verschillende predikanten hebben in het verleden op deze wijze een aantal jaren in het onderwijs gewerkt.

Recentelijk betrof dat ds. G.J. Capellen, die in september 2010 weer gemeentepredikant is geworden
en ds. J.H. van Dijk, die in juli 2011 overleden is.

Als deputaten is ons al jaren gebleken, dat er behoefte was om de manier waarop men predikant naar art. 6 K.O. kan worden, nader te regelen.
Om hierin te voorzien hebben wij een protocol voor het beroepen van een predikant art. 6 K.O. én een overeenkomst tussen kerk en predikant ontwikkeld.

We merken hierbij op dat Deputaten Kerkjeugd & Onderwijs ook een taak hebben bij het beroepingsproces. Deputaten hebben onder meer er op toe te zien dat de taak van godsdienstonderwijs verbonden is met pastorale arbeid binnen de onderwijsinstelling. Het is daarom van belang om in een vroeg stadium contact op te nemen met Deputaten Kerkjeugd & Onderwijs.

Het protocol en de overeenkomst zijn door de Generale Synode van 2010 goedgekeurd en ons is opgedragen beide documenten onder uw aandacht te brengen.

Hierbij voldoen wij aan het verzoek van de G.S.

Wij hopen hiermee zowel de predikant die in het onderwijs werkzaam wil zijn alsook de kerk die hem beroept naar art. 6 K.O., van dienst te zijn en wensen u Gods zegen toe.

De tekst van het protocol en de bijlage is ook te vinden op de website van DK&O: www.kjeno.cgk.nl

Met hoogachting, namens Deputaten voornoemd,

J.H. de Boer-Moret, secr

Protocol bij het beroepen van predikanten naar art. 6 K.O. in het onderwijs

1. Indien een kerkenraad voornemens is een predikant te beroepen naar artikel 6 K.O. tot de bijzondere arbeid van het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan een of meer protestants-christelijke scholen dient deze kerkenraad in overleg te treden met het deputaatschap Kerkjeugd en Onderwijs voordat het besluit genomen wordt de predikant ter verkiezing aan de gemeente voor te stellen.
2. Dit overleg betreft kennis geven van het voornemen tot het beroepingswerk en het verstrekken van de daartoe benodigde gegevens, te weten een concept van de beroepsbrief van de kerkenraad en een taakomschrijving van de onderwijsinstelling.
3. Het deputaatschap Kerkjeugd en Onderwijs beoordeelt op grond van de verkregen informatie of er overeenkomstig artikel 6 K.O. sprake is van het “geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid.” Hierbij moet worden vastgesteld “dat deze arbeid in overwegende mate het karakter draagt van verkondiging van het Woord van God.” De taak van de predikant zal dus meer dienen in te houden dan het geven van lessen in het vak godsdienst; te denken valt o.a. aan pastorale activiteiten ten behoeve van leerlingen en/of personeel, het toerusten van docenten en het leveren van bijdragen met betrekking tot de identiteit van de school.
4. Op basis van de overwegingen bij punt 3 verstrekt het deputaatschap Kerkjeugd en Onderwijs een schriftelijk advies aan de kerkenraad en aan de classis.
5. Nadat de predikant is bevestigd, zal het deputaatschap Kerkjeugd en Onderwijs regelmatig contact met hem onderhouden als blijk van meeleven en hem zo nodig steunen. Tenminste eenmaal per jaar zal er een ontmoeting plaatsvinden tussen de predikant en de sectie Onderwijs van het deputaatschap.
6. De predikant zal tenminste eenmaal per jaar een schriftelijke rapportage van zijn werkzaamheden aan het deputaatschap Kerkjeugd en Onderwijs doen toekomen.

Bijlage

Concept-overeenkomst tussen een kerk die een predikant beroept naar artikel 6 K.O. ten behoeve van het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke* scholen en de deputaten voor kerkjeugd en onderwijs.

Art. 1.    Tot beroeping van een predikant voor het geven van godsdienstonderwijs verbonden met pastorale arbeid aan protestants-christelijke scholen door de kerkenraad wordt, met inachtneming van de kerkelijke bepalingen betreffende beroepingen, overgegaan nadat over deze beroeping overeenstemming is verkregen tussen de kerkenraad en de deputaten.

Art. 2.     Alle kosten die de honorering en de arbeid van de volgens art. 1 van deze overeenkomst beroepen predikant meebrengen, zijn voor rekening van de onderwijsinstelling(en) bij welke de arbeid verricht wordt.

Art. 3.     De redactie van de beroepsbrief wordt, nadat hierover overeenstemming met de deputaten is verkregen, door de kerkenraad vastgesteld.

Art. 4.     Evenzo wordt de taakomschrijving voor de predikant in overeenstemming met de deputaten door de onderwijsinstelling(en) vastgesteld en zo nodig gewijzigd.

Art. 5.    Het toezicht op belijdenis en wandel van de predikant berust bij de raad van de beroepende kerk. Heeft de predikant, met goedvinden van zijn kerkenraad en de deputaten zijn woonplaats buiten het ressort van de beroepende kerk, dan dienen, ingeval hij zondigt ten opzichte van leer en leven, de kerkenraad van de beroepende kerk en de kerkenraad waaronder zijn woonplaats op dat moment ressorteert, samen te werken en hem te behandelen volgens de kerkelijke bepalingen. Ressorteren beide kerken onder verschillende classes, dan dienen ook beide classes daarin samen te werken.

Art. 6.     Deze overeenkomst kan met wederzijds goedvinden worden gewijzigd.

* Onder protestants-christelijke scholen dienen ook reformatorische, vrijgemaakt-gereformeerde en evangelische scholen te worden verstaan.